| Erfdeling |
238 |
Gerardus, nzv Willelmus van Haren en Luiijtgardis Gobels, droeg over aan Ava (=Aeve) Petri
Gobels en aan Henricus Moers man van Engelberna Petri Gobels een erfpacht van 1 mud
rogge, die Elisabeth Henrici Costers beloofd had aan voornoemde Gerardus, te leveren met
lichtmis, gaande uit het kindsdeel dat Luijtgardis en haar dochters aan zal komen van
voornoemde Elisabeth, zoals in schepenbrieven van Oisterwijk. Genoemde Gerardus en zijn
zuster Elisabeth zullen nimmer lastiggevallen worden door genoemde Ava en Henricus Moers
vanwege de inning van een erfpacht van 8 mud rogge, die eertijds Luijtgardis, hun moeder,
aan haar kinderen beloofd had.
373-7.
len
Elisabeth, ndv Willelmus van Haren en Luijtgardis Gobels, droeg over aan haar broer
Gerardus, nzv Willelmus van Haren, 2 van een erfpacht van 1 mud rogge, die Elisabeth
Henrici Costers aan voornoemde Elisabeth beloofd had, te leveren met lichtmis gaande uit het
kindsdeel van goederen die genoemde Luijtgardis en haar dochters aan zullen komen van
genoemde Elisabeth Henrici Costers, zoals in schepenbrieven van Oisterwijk.
3/73v-1.
Destijds had Luijtgardis Henrici Wijtmans beloofd aan Reijnerus Scaden ten behoeve van
Gerardus en Elisabeth, natuurlijke kinderen van Willelmus van Haren en wijlen Luijtgardis,
een erfpacht van 8 mud rogge, te leveren met lichtmis, gaande uit alle goederen van
genoemde Luijtgardis. Thans beloofden voornoemde Gerardus en Elisabeth aan hun vader
voornoemde Willelmus van Haren dat zij de pacht de eerste 10 jaar niet zullen verkopen,
vervreemden of belasten, tenzij met zijn toestemming. |
7-10-1421 |
BP 1408-1425 245. 07-10-1421 1192 / 373-6 t/m 373v-1 3/73-6. |